Werken met de vizsla

 

veldAls we de boeken moeten geloven is de vizsla naast een fijne huishond ook een jachthond.

Nou we kunnen gerust stellen dat het een jachthond bij uitstek is en het best tot zijn recht komt in de praktijkjacht.
Helaas is dit voor weinigen weggelegd en daarom willen wij u hier informeren over de mogelijkheden om het instinct van de vizsla te beteugelen of te begeleiden.

Met onze eerste vizsla’s hadden wij nooit enige vorm van jachthondensport beoefend, maar wij vonden het bij de aanschaf van Alsziv Simply Red (Zoë) tijd worden dat eens aan te pakken. Maar hoe? 

Uiteraard hadden we wel eens een paar boeken erop nageslagen, maar de echte ins en outs weet je niet.
Nou om maar gelijk maar met de deur in huis te vallen: 
De vizsla is een staande hond. Dit houdt in dat hij gefokt is voor het staande werk. Voor insiders een duidelijk begrip, maar voor nieuwelingen een groot vraagteken.
Wij zullen proberen enig licht in deze duisternis te werpen.

Diegene die de lectuur zorgvuldig hebben bestudeerd zal het opgevallen zijn dat de vizsla eigenlijk als een allround jachthond beschreven staat, die in staat moet zijn het werk voor en na het schot te verrichten. Het werk voor het schot, kan het beste omschreven worden in het vinden van levend wild. Het werk na het schot houdt in dat het geschoten wild binnen gebracht moet worden ofwel hij moet kunnen apporteren. Nu is praktijkjacht niet voor iedereen weggelegd, maar er bestaan wel mogelijkheden om, al dan niet kunstmatig, de werkcapaciteiten van je hond te toetsen. Hiervoor zijn er diverse disciplines ontwikkeld binnen de jachthondensport.

De grootste vormen van jachthondensport voor staande honden zijn: 

A. Veldwedstrijden
B. K.N.J.V. jachthondenproeven.
C. Veldapporteerwedstrijden

Veldwerk is een tak van jachthondensport waarbij voor iedere jachthond een eigen discipline bestaat. Zo kan er van een retriever (apporteerder) niet verwacht worden dat hij voorstaat.
veld2
Oh ja, wat is voorstaan?
Voorstaan is eigenlijk niets anders dan dat de hond aanwijst waar wild zit
en dan het liefst veerwild. De hond verstijft en zijn neus zal in de richting
wijzen waar het wild zit of kort daarvoor gezeten heeft (een zogenaamde “warme plek”).
Een ervaren hond zal het verschil tussen beide herkennen.
Als het goed is weet de hond het wild te ‘blokkeren’.
Vogels doen over het algemeen twee dingen als zij zich bedreigd voelen;

1. vluchten door weg te rennen of weg te vliegen

2. zich drukken en heel stil te houden


Blokkeren houdt in dat punt 1 voorkomen wordt. Eigenlijk moet hij dus de fazant zo bedreigen dat deze het gevoel heeft niet ontdekt te worden. Nou als dan de hond echt stil staat (voorstaat), dan is het de bedoeling dat de voorjager (baas) naar de hond toegaat en dat ze samen het wild op laten vliegen. Als het goed is zit het wild in het verlengde van de hond en recht voor zijn neus.
Verder is het zo; hoe hoger de kop van de hond, des te verder zit wild. Hierboven staat Alsziv Simply Red (Zoë) voor en de fazant zat dik 25 meter voor haar. Op aanwijzing van ‘voorjager’ Irwan wist zij de fazant verderop te blokkeren, duidelijk is de hoge kophouding te zien.veld4

Hiernaast was de fazant‘geblokkeerd’ en zat slechts pakweg 1,5 meter voor haar neus.

Na het opgaan van het wild wordt er door de voorjager een schot met een alarmpistool gegeven. Als het wild getoond is en het schot gelost, heeft de hond een punt gemaakt. Behalve in de jeugdklasse moet de hond steady zijn op het schot en mag het wild niet najagen. Gebeurt dit wel dan wordt het punt niet toegekend. In het najaar moet het punt afgemaakt worden met een "koud" apport. Dit houdt in dat de hond een reeds dode fazant moet apporteren, die na een schot wordt geworpen in het veld waar op dat moment in gejaagd wordt. Als dit allemaal goed is gegaan wordt het punt toegekend en kan de hond in aanmerking komen voor een kwalificatie.

1. Jeugdklasse, voor jonge honden tot maximaal 2 jaar.
2. Noviceklasse, voor honden die nog geen kwalificatie in de openklasse hebben behaald
3. Openklasse

In de jeugdklasse wordt weliswaar ook geschoten met een alarmpistool, maar er hoeft niet geapporteerd te worden. Een fijne bijkomstigheid als je niet van dode dieren houdt en toch je hond aan het werk wilt zien. Verder wordt hier meer gelet op de natuurlijke aanleg van de hond en het appèl is van ondergeschikt belang.

Het verschil tussen de novice- en open klasse, zit hem hierin dat de hond in de open klasse geen enkele fout mag maken om voor een kwalificatie in aanmerking te komen.
Zo moeten de honden in deze klassen ‘hazenrein’ zijn. Dit houdt in dat zij hazen niet achterna mogen gaan. In de novice klasse wordt niet moeilijk gedaan als de hond meer dan 50 meter achter een haas aan rent en vervolgens wordt afgestopt. In de open klasse betekent dit dat je uit de wedstrijd ligt.
Er wordt zogezegd in de novice klasse met een knipoog gekeurd, maar wordt wel van de hond verlangt dat deze eenzelfde manier van jagen laat zien als in de open klasse.

Naast het voorstaan wordt de hond ook beoordeeld op de zoekwijze. De hond moet op eigen initiatief een veld afzoeken naar wild.
Hierbij is het van groot belang dat de voorjager de windrichting goed in de gaten houdt. De hond kan namelijk alleen wild vinden als hij zijn neus tegen de wind in houdt. Vervolgens moet de hond systematisch het veld afzoeken. Dit heet in vakjargon officieel ‘revieren’, maar in veldwerkkringen wordt het jagen genoemd. Onderstaande tekening geeft aan wat de bedoeling is.

Windrichting

pijl

veld3

Zoals te zien is moet de hond tijdens het maken van de bochten zijn neus in de wind draaien. De reden hiervan is, dat de hond niet kan ruiken wat er voor hem zit als hij de wind in de rug heeft. Op zich lijkt dit logisch, maar onze ervaring is dat een beginnende hond regelmatig verkeerd draait.
Als de hond goed weet wat de bedoeling is gaat het veelal vanzelf. Het is wel de bedoeling dat de voorjager zo min mogelijk terrein bestrijkt en dus het liefst in een rechte lijn het veld over steekt. Wat overigens niet weg neemt dat je de hond mag ondersteunen in zijn parcours.

Als een hond een fazant of patrijs heeft voorgestaan op een manier dat de voorjager erbij kon komen, de fazant geschoten zou kunnen worden, de hond niet de fazant achternajaagt, er een correct apport wordt uitgevoerd, dan is er een punt verdiend. Als een hond en voorjager dit allemaal goed doen dan kan er één van de volgende kwalificatie gegeven worden: Goed, Zeer Goed en Uitmuntend.

Daarnaast kan in de jeugd een Eervolle vermelding gegeven worden aan een hond die prachtig werk heeft laten zien maar bijvoorbeeld niet voor wild is geweest, of een hond met hoge verwachtingen.
In de open klasse kan het C.Q.N. vergeven worden; feitelijk gelijk aan de eervolle vermelding, alleen met dit verschil, dat hier echt sprake moet zijn van perfect uitziend werk, geen kans op wild, of een hond niet aan te merken fout.

De moeilijkheid bij deze tak van sport is de training. De Vizslavereniging organiseert elk jaar wel een cursusdag of kennismakingsdag, maar met alleen 1 x trainen kom je er niet. U moet zelf aan de bak en op zoek gaan naar geschikte velden waarop je mag trainen. Heel belangrijk in de training is het om de hond op verschillende velden te laten lopen. Dan leert de hond dat niet alleen op dat enkele veld gewerkt moet worden, maar dat deze aan de bak kan op alle terreinen. Er wordt tenslotte op velden gejaagd waar verschillende gewassen voorkomen, zoals bieten, tarwestoppel, geploegde grond, jonge wintertarwe, gras, aardappelen, dus eigenlijk wat er zoal verbouwd wordt door de boeren. Hiermee kunt u voorkomen dat de hond op een wedstrijd opeens aan het werk moet op een voor u en hem vreemde begroeiing of terrein. Met als mogelijk gevolg dat de hond niet goed loopt.
Wat hieronder vermeld wordt is van wezenlijk belang bij het trainen van een hond voor veldwerk.

LET OP!!!

Iedereen is conform artikel 16, lid 3 van de Flora en Faunawet verplicht te verhinderen dat een dier dat hem toebehoort,
of onder zijn toezicht staat, dieren opspoort, doodt, verwondt vangt of bemachtigt.

Nu is artikel 31 van dezelfde wet een uitzondering hierop, maar dan alleen in het geval van de jacht. Dit houdt in dat als u gaat trainen u feitelijk al aan het jagen bent en hier zijn strikte regels aan verbonden. Om problemen te voorkomen, zorg dat u toestemming heeft van de eigenaar of gebruiker en van de jachthouder. Dat is diegene die het jachtrecht gehuurd heeft van de eigenaar of gebruiker.

Stap dus nooit zomaar een veld in om met je hond te trainen!

Los van een overtreding van de Wet kan je ook schade toebrengen aan de gewassen die op het veld staan.


Veldapporteerwedstrijden
.

Zoals de naam al doet vermoeden zijn dit wedstrijden waarbij de hond moet apporteren. Het gaat als volgt:

Er wordt een drijfjacht uitgevoerd op een veld of stuk bos. Hierbij wordt al het wild één kant opgedreven en geschoten. Dit noemt men een drift. Aan het einde van zo’n ‘drift’ zitten honden ‘op post’. Wat inhoudt dat ze naast de voorjager zitten en geen geluid mogen maken. Zo ook mogen ze niet inspringen als er wild tevoorschijn komt. Op aanwijzing van de keurmeester moeten er apporten uitgevoerd worden van de geschoten stukken wild. De zoekwijze en apporteersnelheid vormen de onderdelen waarop de honden beoordeeld worden. Daarnaast moeten de honden gedirigeerd kunnen worden. Soms ligt een stuk wild zo ongunstig dat de hond met handbewegingen bij het wild gebracht moet kunnen worden. Hier kunnen dezelfde kwalificaties gegeven worden als op de veldwedstrijden.

K.N.J.V. jachthondenproeven.

Dit is weer een andere tak van jachthondensport. Voor deze proeven worden diploma's uitgereikt als een hond een aantal apporteeropdrachten weet uit te voeren. De opdrachten zijn algemeen en in tegenstelling tot het veldwerk, voor iedere deelnemende hond gelijk, ongeacht het ras.

De opdrachten voor de verschillende diploma’s zijn:

C - diploma:

• Aangelijnd en los volgen over een traject van ongeveer 40 meter met enkele bochten, meestal wordt een zogenaamde 8 gelopen.

• Komen op bevel nadat de hond zonder halsband of lijn ongeveer 30 meter vooruit gestuurd wordt.

• Houden van aangewezen plaats zonder dat de voorjager in het zicht is van de hond, voor een duur van minimaal 2 minuten.

• Apport van een stuk wild (konijn) te land over een afstand van ongeveer 25 meter in een overzichtelijk terrein.

• Apport van een eend uit diep en overzichtelijk water.


B-diploma
:

Idem als C-diploma uitgebreid met:

• Verloren apport te land; in een dichte dekking op ongeveer 40 meter moet een stuk wild geapporteerd worden
   en als de hond bij het wild (eend) is moet de hond de voorjager niet kunnen zien

• Markeerapport te land; een voor de hond zichtbaar weggeworpen eend moet geapporteerd worden over een afstand van ongeveer 60 meter.
De hond moet de valplaats van het wild onthouden wat moet blijken uit het feit dat de hond in een rechte lijn op het wild afgaat.

• Apport over diep water; de hond moet een stuk wild apporteren aan de andere zijde van het water.
>   Het water moet minimaal 10 en mag maximaal 40 meter breed zijn.

A-diploma:

Idem als B-diploma uitgebreid met:

• Apport van verre loper over diep water; de hond moet een stuk wild apporteren dat aan de overzijde van een breed diep water ver weggesleept is.      Het water dient minimaal 15 meter breed te zijn. Het wild moet minimaal 150 meter en mag maximaal 300 meter ver weggesleept zijn en moet
   tenminste twee haken van 90 graden bevatten. De voorjager en de hond mogen het wegslepen van het wild niet zien.

• Dirigeerproef te land; de hond moet door de voorjager via een in het terrein gemarkeerd punt, naar de valplaats van het wild gedirigeerd worden en
   daarna het wild apporteren. Het gemarkeerde punt moet op ongeveer 100 meter van de voorjager gelegen zijn, daar moet de hond worden afgestopt
   en op aanwijzing van de keurmeester moet de hond nog 50 meter in de richting van de valplaats gedirigeerd worden.

Deze tak van hondensport kan getraind worden bij de Koninklijke Nederlandse Jagersvereniging, maar ook de Vizslavereniging geeft bij voldoende animo elk jaar een Basiscursus jachttraining. Hier hebben wij de eerste kennismaking beleefd met de jachtsport.

Verschil in training.zoew

Uit het voorgaande blijkt dat er een duidelijk verschil is in de manier van werken met de hond:

1. Bij veldwerk komt het voornamelijk aan op zelfstandigheid van de hond.

2. Bij K.N.J.V. jachthondenproeven gebeurt het merendeel op aanwijzing van de voorjager.

De training voor beide onderdelen zijn dan ook totaal verschillend. Met Alsziv Simply Red (Zoë) hebben wij aanvankelijk de basiscursus jachttraining van de Vizsla-vereniging gevolgd. Deze training is gericht op de K.N.J.V. proeven, waarbij appèl een must is omdat, zoals gezegd,  bijna alles op aanwijzing van de voorjager gedaan moet worden. Bij veldwerk moet de het werk doen en de voorjager begeleid alleen maar. Een voorbeeld:

Eén van de onderdelen van de K.N.J.V. proeven is het aangelijnd en los volgen. Zoë beheerste dit onderdeel perfect met als gevolg dat zij bij de latere training voor veldwerk zeer dicht bij Irwan bleef. Het heeft dan ook lange tijd watergeduurd voordat zij ‘vrij’ werd, wat inhoudt dat zij zelfstandig bij Irwan een kleine 100 meter weg liep en ook nog wilde jagen.

Zoë tijdens de training van het apport uit diep

Na heel veel geduld en beheersing - je bent geneigd om toch de hond te roepen als ze een beetje ver weg gaat - is het dan toch gelukt om haar zo ver te krijgen dat zij enkele kwalificaties wist te halen.

Mocht U daarom willen overwegen om enige vorm van jachthondensport te gaan bedrijven met de hond en
U weet niet welke vorm U wilt gaan beoefenen, dan raden wij U aan om eerst veldwerk te proberen en op
een wat latere leeftijd eventueel K.N.J.V. erbij te doen. Beiden tegelijk is slechts voor weinig honden weggelegd.

Werkkampioen.

Het is mogelijk om een werkkampioensschapspunt te vergaren op een veldwedstrijd. Dit moet dan wel een wedstrijd zijn waar het C.A.C.T. vergeven wordt. Dit is een nationale werkkampioensschapsprijs. Deze prijs kan echter alleen behaald worden door honden die deelnemen in de open-klasse. 

De titel Werkkampioen verkrijgt de hond die minstens twee C.A.C.T. heeft behaald, of één C.A.C.T. en twee reserve C.A.C.T., verdeeld over twee kalenderjaren en een tussenpose van minstens 6 maanden. Daarnaast moet de hond op een kampioensschapstentoonstelling in Nederland, op een leeftijd van tenminste 15 maanden, minstens de kwalificatie ‘Zeer Goed’ behaald hebben.